Handelen op de beurs

Wie zelf wil beleggen, kan aandelen en obligaties kopen op de beurs. Dat gaat altijd via een financiële instelling zoals een bank of een effectenhandelaar (`broker’). Voordat iemand zijn aankopen mag doen moet er doorgaans eerst een vragenlijst worden ingevuld om in beeld te krijgen wat de doelstellingen van de belegger zijn en welke risico’s hij kan lopen. Dat heet het vastleggen van het risicoprofiel. Banken zijn verplicht dit te doen en hebben een ‘zorgplicht’: wie aangeeft dat hij niet teveel risico kan lopen, mag niet te veel in risicovolle beleggingsvormen zitten.

De prijsvorming van effecten

Aandelen en obligaties hebben geen prijskaartje zoals een krop sla in de supermarkt. Er zijn altijd twee prijzen (of koersen): de prijs waarop men kan kopen (laatkoers’) en de prijs waarop men kan verkopen (`biedkoers’). De laatst gedane koers is dus niet altijd de prijs waarop men een aandeel kan kopen of verkopen. Speciale beurshandelaren (`liquidity providers’) geven prijzen af waarop zij willen kopen en verkopen om de handel gaande te houden, zodat beleggers hun orders altijd kwijt kunnen. Naast de provisie die de bank in rekening brengt, is er dus het verschil tussen de bied- en laatprijs, de ‘spread’. De laatprijs is altijd iets hoger dan de biedprijs, het is de inkomstenbron van de liquidity provider.

Het opgeven van orders via internet is bij veel partijen wat provisie betreft voordeliger dan telefoneren met een beleggingsadviseur. Daar staat tegenover dat een telefoontje met een adviseur de kans op fouten verkleint. Zeker voor de beginnende belegger kan het daarom verstandig zijn eerst enige tijd te handelen in overleg met een adviseur. Een foutieve order kan immers een flinke schadepost opleveren.

Soorten orders

Een belegger kan vele verschillende soorten orders afgeven. Enkele van de belangrijkste zijn:

Bestens order: dit is een koop- of verkooporder die direct wordt uitgevoerd tegen de actuele biedprijs of laatprijs in de markt.

Limietorder: dit is een koop- of verkooporder die alleen wordt uitgevoerd als de prijs voldoet aan de opgegeven limiet (een maximale prijs bij een kooporder, een minimale prijs bij een verkooporder). Het kan dus gebeuren dat een limietorder niet wordt uitgevoerd, of veel later.

Stoplossorder: dit is een verkooporder die wordt uitgevoerd als de koers een bepaald niveau bereikt. Dit type order wordt gebruikt om het verlies op effecten te beperken. Het kan dus gebeuren dat een stoploss order nooit wordt uitgevoerd.

Combinatieorder: order die alleen wordt uitgevoerd samen met een andere order. Ook hierbij kan een limiet worden opgegeven voor de prijs van het totaal

ISIN-codes

Alle effecten op de beurs (aandelen, obligaties) hebben een speciale unieke code, de ISIN-code (International Securities Identification Number). Hiermee wordt verwarring uitgesloten. Daarnaast gebruikt elke beurs ook eigen codes en afkortingen, waarmee bijvoorbeeld op websites naar de bijbehorende aandelen kan worden gezocht. Hierbij dient men wel goed op te letten op welke beurs men handelt: de code HEI staat in Duitsland voor het aandeel in Heidelberg Cement, in de Verenigde Staten betreft de code HEI het luchtvaartindustriebedrijf HEICO. De code voor de aandelen Heineken in Amsterdam is HEIA. Zie bijlage 1 voor de codes van de aandelen die later in dit boek worden besproken.

Uitbesteden

De belegger kan er ook voor kiezen een ander het werk te laten doen. Dat kan op verschillende niveaus en zowel individueel als collectief. Men kan alles uit handen geven aan een vermogensbeheerder, of men kan zelf de hoofdlijnen bepalen en de details laten invullen door de specialisten van een beleggingsfonds. Met Engelse termen wordt vermogensbeheer aangeduid als `investment management’ of ‘asset management’. Vermogensbeheer kan op individuele of op collectieve basis gebeuren. In het eerste geval is vaak sprake van discretionair vermogensbeheer, waarbij de beleggingsportefeuille helemaal wordt toegesneden op de specifieke wensen en persoonlijke situatie van de klant. De vermogensbeheerder maakt om te beginnen een persoonlijk beleggingsprofiel van de klant, waarin zijn doelstellingen, de tijd die hij heeft (zijn beleggingshorizon) en zijn risicotolerantie worden vastgelegd. Alle banken en vermogensbeheerders in Nederland zijn verplicht om voor hun beleggende klanten een dergelijk profiel op te stellen, ook van klanten die zelf beleggen. In geval van uitbesteding voert de vermogensbeheerder voor rekening en risico van de klant het beheer over de beleggingsportefeuille binnen de afgesproken voorwaarden. Als het goed is, zijn afspraken gemaakt over de vrijheden die de beheerder heeft, en de manier waarop hij verslag zal doen van zijn handelen. Gewoonlijk is voor individueel vermogensbeheer een minimuminleg vereist. Voor bedragen onder de 100.000 euro zal het niet makkelijk zijn een vermogensbeheerder te vinden. Dat is bovendien af te raden, omdat een te klein bedrag waarschijnlijk ook niet dezelfde aandacht krijgt als de vermogens van de grotere klanten. Ook is vermogensbeheer relatief duur. De tarieven variëren en worden lager bij grotere bedragen, maar bij een klein vermogen van bijvoorbeeld 100.000 euro kan het beheer al gauw 2 procent per jaar kosten. Daar komen dan de kosten voor beurstransacties en het bewaarloon van de bank nog bij. In dat geval zal het ook een goede beheerder niet makkelijk vallen om na aftrek van de kosten structureel voldoende rendement te behalen. Individueel vermogensbeheer is daarom een prima optie voor de belegger die voldoende vermogen heeft om een scherp beheertarief af te dwingen. Doorgaans is dat vanaf een miljoen euro. Een vermogensbeheerder heeft als het goed is een researchafdeling die zich bezighoudt met het verzamelen en interpreteren van marktinformatie. Daarnaast zijn er afdelingen voor de uitvoering van het beleggingsbeleid (de aan- en verkoop van effecten) en voor de administratieve afhandeling van de transacties. Ook moet er sprake zijn van risicomanagement dat controleert of het beleggingsbeleid voldoet aan de eisen en voorwaarden die de klant heeft gesteld. Normaliter kan de klant met zijn vermogensbeheerder periodiek overleggen over de resultaten en het beleid voor de komende periode.

Beleggingscategorieën

Er bestaan bijna oneindig veel beleggingsvormen en beleggingsproducten, maar die zijn in grote lijnen onder te brengen in vier hoofdcategorieën. Voor elk van die vier hoofdcategorieën geldt een verwacht gemiddeld rendement, gebaseerd op historische gegevens, en een bepaalde mate van risico. Het risico bij beleggen houdt in dat het feitelijke rendement kan afwijken van het gemiddelde rendement uit het verleden. Hoe groter die afwijkingen kunnen zijn, hoe hoger het risico. De vier te onderscheiden beleggingscategorieën zijn:

Aandelen: deelnemingen in bedrijven Renteproducten: obligaties, spaarvormen Onroerend goed: grond, gebouwen Materialen en goederen: edelmetalen, olie, kunst, etc.

Daarnaast bestaan er mengvormen en afgeleide producten (derivaten). Daarmee kan op de een of andere manier van prijsbewegingen in (onderdelen van) bovenstaande categorieën worden geprofiteerd. Derivaten zijn bijvoorbeeld opties en gestructureerde producten. Mengvormen en derivaten behoren tot de meest ingewikkelde beleggingsproducten, maar ze zijn gelukkig nooit echt noodzakelijk in de beleggingsportefeuille van de particuliere belegger. Aan aandelen en obligaties heb je eigenlijk genoeg.

Beleggen is waarde toevoegen

Volgens de Van Dale is beleggen in de zin van geld beleggen het geld ‘in waardepapieren omzetten om de waarde te behouden of te vergroten’. Zo eenvoudig is het inderdaad. Het probleem in de praktijk is dat er heel veel verschillende soorten waardepapieren bestaan, alsook heel veel verschillende mogelijkheden om geld in die waardepapieren om te zetten. Niet al die mogelijkheden leiden tot behoud van waarde, laat staan tot vergroting ervan. Beleggen is een kwestie van vooruitzien: een belegger opereert steeds op basis van toekomstverwachtingen. Hij wil een bepaald rendement behalen, maar loopt het risico dat zijn toekomstverwachtingen niet uitkomen. Wie gaat beleggen moet rekening houden met de volgende wetmatigheid:

  1. Er is een positief verband tussen rendement en risico: hoe hoger het risico, hoe hoger het door beleggers geëiste rendement, en daarmee het (gemiddeld) verwachte rendement. Het nemen van risico wordt dus beloond.

Nog een tweede wetmatigheid is van belang voor de belegger:

  1. Geld wordt over het algemeen steeds minder waard. Dit wordt inflatie genoemd. Prijzen hebben de neiging te stijgen. Hoe langer je wacht met een aankoop, hoe duurder deze doorgaans wordt.

De eerste wetmatigheid is een vriend, de tweede is een vijand van de belegger.

Helaas klopt de eerste wetmatigheid alleen op de lange termijn; in de praktijk dient iedere belegger zijn beleggingen af te stemmen op de tijd die hij heeft, ofwel zijn beleggingshorizon. In de tweede wetmatigheid zit veel variatie: de inflatie is soms t ijdel ijk hoog, soms ook negatief. In dat geval, bij dalende prijzen, spreekt men van deflatie. Centrale banken proberen er doorgaans voor te zorgen dat de inflatie niet te hoog wordt, maar dat lukt niet altijd.

Een betere definitie van beleggen is dan ook:

“Ervoor zorgen dat de waarde (koopkracht) van geld dat niet dagelijks wordt gebruikt, blijft behouden en bij voorkeur wordt vergroot.”

Verschillende wetenschappelijke onderzoeken hebben aangetoond dat het rendement op de relatief risicovolle aandelen op de lange duur ongeveer 4 procent hoger is dan dat op (nagenoeg) risicovrije beleggingen zoals staatsleningen van landen met een verstandig begrotingsbeleid. Dus altijd alles dan maar beleggen in aandelen? Nee, dat hogere rendement is een gemiddelde van tientallen beurzen over een periode van meer dan honderd jaar. De afwijkingen van het gemiddelde zijn bij aandelen op de korte termijn altijd zeer groot. Alleen wie de tijd heeft om eventuele verliezen in het begin weer goed te maken, kan een groot deel van zijn vermogen risicovol beleggen. Hoe verder weg de beleggingshorizon dus is, hoe meer risico de belegger zich kan veroorloven.

Een nog betere definitie van beleggen is dan ook:

“Ervoor zorgen dat de waarde (koopkracht) van geld dat niet dagelijks wordt gebruikt, blijft behouden en bij voorkeur wordt vergroot, binnen de grenzen van een op de persoonlijke situatie afgestemd risicoprofiel.”

Deze definitie bevat dus ook een belangrijke doelstelling die iedere belegger zou moeten hebben: koopkrachtbehoud.